Welkom op de vogelblog van Peter van de Beek



Op deze blog plaats ik mijn vogelmomenten.
Dat zijn fotos die ik maak van onze nederlandse vogels en voorzie van een korte eenvoudige toelichting. Het is even een moment om stil te staan bij onze vogels. Je kunt lezen en zien hoe interessant en mooi ze zijn. Daardoor merk je ook dat ze eigenlijk overal om je heen zijn.
Tevens plaats ik informatie over leuke vogelkijkplaatsen.
Ik hoop dat je door deze vogelmomenten bewuster naar vogels gaat kijken
en dat het beginnende vogelaars helpt bij herkenning en kennisontwikkeling.
Als je de vogelmomenten automatisch wilt ontvangen dan kun je je aanmelden met je emailadres.

woensdag 21 december 2016

KERSTWENS MET WILDE EN KLEINE ZWAAN

Wilde zwaan, Cygnus cygnus, Whooper Swan

Kleine zwaan, Cygnus bewickii, Tundra Swan

Ik wens iedereen fijne feestdagen en een gezond en gelukkig 2017. Mijn wensen gaan vergezeld van twee prachtige wintergasten, De wilde zwaan en de kleine zwaan. Echte wintergasten die je hier nu kunt zien. De wilde zwaan is wat minder talrijk en zie je in Flevoland, randmeren, groet rivieren, Wieringer,eer en de Waterleidingduinen.
De kleine zwaan is talrijker en zie je veel in de randmeren, Wieringermeer en de waddenkust.
Het zijn lastig uit elkaar te houden soorten maar ik hanteer altijd een ezelsbruggetje: Kleine zwaan met klein geel en de wilde zwaan met groot geel. Bij hem loopt het geel op de snavel verder door.
Ik hoop dat je ze kunt spotten en ik wens iedereen veel prachtige vogel- en natuurmomenten in 2017.

vrijdag 2 december 2016

PADDENSTOELEN

Vliegenzwam, symbiose met berken

Aardappelbovist, symbiose met loofbomen ( vaak eiken)
Aardappelbovist
Gele knolamaniet, symbiose met loofbomen in bossen
Gele knolamaniet

Parelstuifzwam, op dood organisch materiaal (sapotroof)

Grote parasolzwam, bermen, open gebied ( sapotroof)
Geweizwam, zeer klein op verrot hout ( sapotroof)
Tonderzwam, parasiet op loofbomen.
Ook op dood hout (necrotoof)
Judasoor, parasiet op loofbomen, veelal op vlier.
Ook op dode takken (necrotoof)



Deze keer weer een blog over paddenstoelen. Het is tenslotte najaar, alhoewel je ze het gehele jaar kunt zien, maar het najaar is wel de beste tijd. Ik heb een aantal soorten op de foto gezet die redelijk algemeen zijn en die je dus overal wel kunt waarnemen. Er is een onderscheid gemaakt naar de verschillende leefwijzen.
Paddenstoelen zijn in feite vruchtlichamen die groeien uit een met het blote oog onzichtbaar dradenstelsel wat het mycelium wordt genoemd en dat op verschillende wijze aan voedsel komt.
Alle paddenstoelen zijn voor wat betreft hun leefwijze te onderscheiden in:
1.       Soorten die leven op dood organisch materiaal oftewel de sapotrofe soorten en
2.       Soorten die leven op andere levende organismen waarbij weer een onderscheid wordt gemaakt in:
-          Soorten die parasitair leven, waardoor de gastheer beschadigd wordt of zelfs afsterft en
-          Soorten die in symbiose leven met hun gastheer, waarbij sprake is van wederzijds voordeel. De paddenstoel onttrekt het noodzakelijke voedsel ( koolhydraten) aan de plant of boom en geeft in ruil water met opgeloste mineralen terug.
In deze blog heb ik van allemaal voorbeelden opgenomen.
Het overzicht begint met een aantal soorten die in symbiose leven met levende planten en bomen. Je vindt ze altijd vlakbij hun gastheer.
Als eerste de paddenstoel der paddenstoelen, de vliegenzwam. Hij is dus een parasiet maar leeft in symbiose met berken en soms dennen.
Ook de aardappelbovist is hiervan een voorbeeld en is zeer algemeen in bossen, parken en tuinen in de directe omgeving van loofbomen.
Vervolgens de gele knolameniet. Deze vind je vaak op droge zandgrond in bossen waar hij samen leeft met loofbomen en soms ook naaldbomen.
Als vertegenwoordigers van sapotrofe soorten heb ik de volgende opgenomen.
De parelstuifzwam. Hij is zeer algemeen en je kunt hem zien in loofbossen maar ook in wegbermen, struiken bij open weilanden, tuinen etc. Hij leeft dus op dood organisch materiaal.
De grote parasolzwam die je vanaf de zomer tot in de herfst kunt aantreffen op open gebied zoals weilanden, wegbermen. Je kunt ze, gelet op hun grootte, niet over het hoofd zien. De doorsnede van de hoed kan wel 25 cm bedragen.
Vervolgens een heel kleine maar wel zeer algemene vertegenwoordiger van deze groep, het geweizwammetje. Ze groeien vaak in groepjes op reeds behoorlijk verrotte boomstronken of boomstammen en je treft ze overal aan waar maar voldoend verrot hout aanwezig is. Dat kan dus in bossen zijn maar zeker ook in stedelijk gebied.
Tenslotte nog een aantal parasitair levende soorten zoals:
De Tonderzwam. Een grote zwam die je het gehele jaar wel kunt zien op allerlei loofbomen. Zelfs op afgestorven stronken kan hij nog best lang leven. Dit worden ook wel necotrofe parasieten genoemd. Zij beginnen hun leven op levend hout maar kunnen dus nog een tijdje leven als de gastheer is afgestorven.
Het judasoor. Ook dit is een parasiet die begint op een levend organisme, veelal een vlierstruik, en die nog een tijdje stand houdt nadat de boom is afgestorven. Hij is zeer algemeen en je kunt hem het gehele jaar zien.

Iedereen weer bedankt voor de reacties op de vorige blog over de boerenzwaluw.


woensdag 26 oktober 2016

VOGELMOMENT BOERENZWALUW

Boerenzwaluw, Hirunda rustica, Swallow

Boerenzwaluw, Hirundo  rustica, Swallow

Boerenzwaluw rustend op een draad
Boerenzwaluw
Het wordt wel weer eens tijd voor een vogelmoment. Het vorige is alweer een paar maanden geleden. Deze keer gaat het over de boerenzwaluw. Een algemene en redelijk talrijke broedvogel, volgens SOVON 100.000 tot 200.000 broedparen, die medio april in ons land arriveert en vanaf september weer zijn overwinteringsgebieden opzoekt, die zich meestal in West en Centraal Afrika bevinden. In ons land is hij, met uitzondering van de duinstreek, Flevoland, het centrale deel van de Veluwe en de centra van steden overal aanwezig.
Een typische vogel van het boerenland omdat in die omgeving met koeien etc. veel vliegende insecten voorkomen en die vormen het voedsel van de boerenzwaluw. Die insecten vangen zij door met wijd opengesperde snavel te vliegen. Omdat zij, zeker in de broedtijd, grote aantallen insecten moeten vangen zie je ze dus weinig rusten. Door hun hoge snelheid en enorme wendbaarheid lukt het ze om die aantallen insecten ook daadwerkelijk te vangen. Zelfs drinken doen zij vliegend. Als zij dan rusten zie je ze vaak in grote aantallen op de nok van boerenschuren of op de afrasteringsdraden in de weilanden en op elektriciteitskabels.
In de vlucht herken je ze snel aan  de opvallende rood/bruine plek op het voorhoofd en de lange gevorkte staart.
Boerenzwaluwen nestelen altijd onder een dak en bij voorkeur binnenshuis in schuren, stallen maar ook wel onder bruggen of andere plekken die overdekt zijn. Het nest is komvormig en wordt zo hoog mogelijk tegen de overkapping aan gebouwd zodat katten en andere rovers er vrijwel niet bij kunnen. Het wordt gemaakt van klei dat op de grond wordt gevonden. Je ziet dan ook in april en mei vaak boerenzwaluwen bij modderige plekken in weilanden of op paden waar zij gemakkelijk aan “metselspecie” kunnen komen voor de bouw van hun nest. Omdat zij altijd terugkeren naar hun oude broedplaats gebruiken zij het nest vaak meerdere jaren. Dan zijn zij immers snel klaar omdat het alleen een schoonmaak vereist en wat herstelwerk. Zij beginnen met broeden vanaf eind mei en er worden 4 tot 7 eieren gelegd, die door het vrouwtje worden uitgebroed in 2 tot 2 ½ week. De jongen verlaten het nest na ongeveer 20 dagen. Er zijn vaak twee tot drie legsels per jaar. 
De broedpopulatie staat onder druk omdat het aantal boerenbedrijven daalt, de kleinschaligheid van het boerenland afneemt en de verstedelijking van het platteland toeneemt. Ook worden zij als gevolg van steeds strengere hygiënische voorschriften steeds meer geweerd uit boerderijen. Door al deze ontwikkelingen neemt het aantal nestlocaties af en er is nog een nadelig effect van het verplicht gebruik van insecticiden in de stallen.

Tot nu toe bleef de populatie redelijk op peil en kon de sterfte tijdens de trek en in de overwinteringsgebieden gecompenseerd worden door goede broedresultaten. De vraag is of dat in de toekomst zo zal blijven. 


woensdag 15 juni 2016

VOGELMOMENT VOGELS IN BAKHUIZEN

Vink, Fringilla coelebs, Chaffinch
Baltsende roodborsten
Tjiftjaf, Phylloscopus collybita, Chifchaff
Fitis, Phylloscopus trochilus, Willow Warbler

Ekster, Pica pica, Magpie
Groenling, Chloris chloris, Greenfinch
Grote bonte specht, Dendrocopus major, Great Spotted Woodpecker

Heggenmus, Prunella modularis, Dunnock
Juveniele grote bonte specht
Twee groenlingen bij de waterbak
Houtduif, Columba palumbus, Wood Pigeon
Kauw, Corvus monedula, Jackdaw
Juveniele koolmees, Parus major, Great Tit
Mannetje merel, Turdus merula, Common Blackbird
Juveniele pimpelmees, Cyanistes caeruleus,Blue Tit
Ransuil, Asio otus, Long-eared owl
Turkse tortel, Streptopelia decaocto, Collared Dove
Winterkoning, Trochlodytes trochlodytes, Winter Wren
Zanglijster, Turdus philomelos, Song Trush
De vaste bezoeker weet wel dat wij een vaste stek hebben op een prachtige plek in Bakhuizen in het schitterende Gaasterland. Een plek die grenst aan een bosrand en dus behoorlijk vogelrijk is. Gedurende het jaar zien wij daar ongeveer 42 soorten, waarbij ik dan de ook de vogels meetel die overvliegen zoals bijv. de grauwe ganzen, boerenzwaluwen, gierzwaluwen en de buizerd.
Het leek mij leuk om in deze blog eens een overzicht te laten zien van de soorten die dagelijks onze plek bezoeken en die ook in de directe omgeving broeden.
In deze tijd van het jaar is het weer druk met alle jongen die uitgevlogen zijn, alhoewel niet van alle soorten deze zo gemakkelijk te spotten zijn. De jongen van de mezen, grote bonte specht en de heggenmus zie je nog wel maar van de andere soorten is het een stuk lastiger.
Ik hoop dat je ervan zult genieten.

Iedereen weer bedankt voor de reacties op mijn vorige blog over de grasmus. 

woensdag 1 juni 2016

VOGELMOMENT GRASMUS

Grasmus, Sylvia communis, Whitethroat. 
Grasmus zingend op een uitkijkpost
Grasmus in het struikgewas

Deze keer aandacht voor de grasmus. Een zeer algemene broedvogel die qua aantallen een forse groei heeft doorgemaakt. De aantallen worden door SOVON op dit moment geschat op circa 140.000 broedparen. In de jaren 70 van de vorige eeuw was dit nog de helft. Toename van groengebieden met ruige vegetatie heeft ertoe geleid dat het broedgebied enorm is toegenomen. Hij komt voor in allerlei gebieden die voldoende ruig zijn. Dat betekent dat je hem kunt zien in bosranden, meidoornhagen, dichtbegroeide spoorbermen, houtwallen en dichte duindoorngebieden. Op open weidegebieden, heidevelden, bossen en stedelijk gebied zul je hem niet aantreffen. Ik zie ze vooral aan de IJsselmeerkust in gebieden met wat ruige bosschages, maar ook in duindoornruigtes in de duinen bij Zandvoort.
Hij overwintert in de westelijke Sahel in Afrika en arriveert in ons land vanaf april tot medio mei tot begin juni en hij vertrekt weer vanaf eind juli tot in september. Je hebt kortom de beste kans om hem te zien vanaf medio april tot medio juli. In het broedgebied zitten ze vaak te zingen vanuit een hogere uitkijkpositie. Het legsel bestaat uit 4 tot 5 eieren in een goed verstopt nest in lage en dichte struiken of in andere dichte vegetatie. De eieren worden uitgebroed in circa 11 tot 13 dagen en de jongen zijn na circa 12 dagen in staat om uit te vliegen.


maandag 25 april 2016

VOGELMOMENT KIEVIT

Kievit, Vanellus vanellus, Lapwing. Mooi in een lentewei
Landend op een paal in het water. 
Kuiken dat lekker doorstapt in een kruidenrijk weiland
Juveniele kievit
Lekker foerageren in een ruig weiland
Een vechtpartijtje hoort er ook bij
Op een warme zomerdag. Hij houdt de snavel open
om warmte af te voeren.
Een mooie stoere vogel
Mannetje in de broedtijd.Herkenbaar aan de grote pluim
Op een koude kale winterakker.
Je moet soms goed zoeken om ze te zien

Dit jaar is door SOVON en de Vogelbescherming uitgeroepen tot “Jaar van de Kievit”. Dit is nodig om aandacht te vragen voor de moeilijke situatie waarin de kievit zich als broedvogel bevindt. Je ziet ze het hele jaar hier, maar dat zijn niet allemaal broedvogels. Onze kieviten trekken meestal weg naar zuidelijke delen van Europa om te overwinteren en daar komen dan weer kieviten uit Noord Europa voor in de plaats. De prachtige “Kievitwolken” die je vaak in het najaar ziet worden meestal gevormd door trekvogels of noordelijke vogels die hier overwinteren. Vanaf maart/april trekken zij weer weg naar het noorden om te broeden. Onze kieviten beginnen vanaf maart met broeden en zijn er dus vroeg bij.
Het gaat echter niet goed met de in ons land broedende kieviten. Tot 1990 namen de aantallen nog toe maar vanaf de jaren 90 nemen de aantallen af en tegenwoordig zelfs met 5% per jaar volgens de tellingen van SOVON. De huidige schatting van het aantal broedparen bedraagt 160.000 tot 240.000 maar dat is minder dan de helft van de broedpopulatie in 1990.
Kieviten hebben ongetwijfeld, net als alle andere weidevogels, grote last van het intensieve beheer van de weidegronden. Intensief beheerde weidegrond met alleen strak gemaaid gras zonder andere kruiden is geen goede leefomgeving voor weidevogels en die zie je daar dus ook nauwelijks. Tel daarbij op dat ook nog eens het waterpeil wordt verlaagd, waardoor het voedselaanbod wordt verminderd en de wormen etc. zijn moeilijker uit de grond te halen.
Kieviten broeden vaak op kale akkers met resten van mais of op wat meer kruidenrijke graslanden. In deze periode komen de eieren uit en lopen de kuikens rond. Tegelijk worden de landerijen omgeploegd en het gras voor de eerste keer gemaaid. De overlevingskans van kuikens wordt daarmee gedecimeerd.
Het is daarom mooi dat in het kader van het “jaar van de Kievit” wordt onderzocht wat precies de oorzaken zijn van die achteruitgang. Daarmee wordt het probleem inzichtelijk en kunnen betere beschermingsmaatregelen worden getroffen en kritisch naar het beheer worden gekeken.
Ons karakteristieke weidelandschap inclusief de vogels zou moeten worden gezien als cultureel erfgoed en niet worden opgeofferd aan steeds efficiëntere vormen van beheer die louter door economische motieven zijn ingegeven. Hopelijk komt men er achter dat steeds meer koeien, grote stallen en een grote groei van het zeer intensief beheerde weidegebied alleen maar leidt tot een grote melkplas met steeds lagere prijzen. Het tegendeel wordt dus bereikt en de weidevogel en zijn landschap zijn het slachtoffer. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.



zondag 20 maart 2016

KLEINE STELTLOPERS ZUIDPIER IJMUIDEN


Bonte strandloper, Calidris alpina, Dunlin
 
Bonte strandloper
Drieteenstrandloper, Calidris Alba, Sanderling
Drieteenstrandloper
Kanoet, Calidris canutis, Knot
Kanoet. Zie de wat forsere bouw en de groenige 
Paarse strandloper, Calidris maritima, Purple Sandpiper
Paarse strandloper
Steenloper,Arenaria interpres, Turnstone
Steenloper
Scholekster, 
Tureluur,Tringa totanus,Redshank in winterkleed



Kanoeten op het wad


Nu het voorjaar is begonnen lijkt het mij een mooi moment om de winterperiode af te sluiten met een overzicht van een aantal kleinere steltlopers die je kunt zien aan onze kust en in mijn geval bij de Zuidpier in IJmuiden.
Het gaat om de bonte strandloper, kanoet, steenloper en de paarse strandloper. De eerste drie kun je hier het gehele jaar zien en de paarse strandloper is echt een wintergast en doortrekker. Het najaar en de winter zijn wel de betere periodes om ze te zien omdat ze in het hoge noorden broeden  en niet in ons land. In de zomer zie je ze dus veel minder en het gaat dan om vogels die nog niet broeden.
Ze zijn wat lastig uit elkaar te houden, met name de kanoet, drieteenstrandloper en de bonte strandloper omdat je ze bij ons ziet in hun winterkleed en dat lijkt veel op elkaar. Daarom zie je ze hier allemaal zodat je ze wat kunt vergelijken.
De drieteenstrandloper zie je vaak langs de vloedlijn op het strand en dan rent hij met grote snelheid.
De kanoet is middelgroot en wat plomper, heeft een kortere snavel en wat grijsgroene poten. Op het wad zie je ze vaak in heel grote groepen.
De bonte strandloper is onze meest voorkomende strandloper en ongeveer even groot als de drieteenstrandloper, heeft een iets grotere snavel die ook licht gebogen kan zijn. Hij is minder vaak te zien langs het strand en meer op modderige vlakten en kwelders in getijdegebieden zoals bij de wadden.
De steenloper is het makkelijkst te herkennen aan zijn kleur en aan het feit dat hij altijd te zien is op pieren, dammen en havens waar hij tussen de stenen zijn voedsel zoekt.
De paarse strandloper zie je hier de zomer niet en in de winter vaak samen met steenlopers op met zeewier begroeide dammen en kusten.
Uiteraard zijn dit niet de enige stellopers die je in najaar en winter aan de kust ziet. Ook de scholekster zie je vaak in heel grote groepen en ook de tureluur overwintert in grote aantallen in de kustgebieden. De laatste is dan ook goed waar te nemen in zijn winterkleed da wat grijzer van kleur is. In het voorjaar trekken zij naar de weidegebieden en laagveen-moerasgebieden om te broeden.
In het archief van mijn blog kun je meer informatie vinden over de genoemde soorten.

Iedereen weer bedankt voor de reacties op mijn vorige blog.