Welkom op de vogelblog van Peter van de Beek



Op deze blog plaats ik mijn vogelmomenten.
Dat zijn fotos die ik maak van onze nederlandse vogels en voorzie van een korte eenvoudige toelichting. Het is even een moment om stil te staan bij onze vogels. Je kunt lezen en zien hoe interessant en mooi ze zijn. Daardoor merk je ook dat ze eigenlijk overal om je heen zijn.
Tevens plaats ik informatie over leuke vogelkijkplaatsen.
Ik hoop dat je door deze vogelmomenten bewuster naar vogels gaat kijken
en dat het beginnende vogelaars helpt bij herkenning en kennisontwikkeling.
Als je de vogelmomenten automatisch wilt ontvangen dan kun je je aanmelden met je emailadres.

dinsdag 27 juni 2017

VLINDERS

Koningspage, Iphiclides podalirius

Dambordje, Melanargia galathea

Kleine IJsvogelvlinder,Limenitis camilla

Witbandzandoog, Brintesia circe

Bosparelmoervlinder,Melitae athalia

Zandsprietdikkopje,Thymelicus lineolus

Dambordje, Melanargia galathe

Bosparelmoervlinder,Melitae athalia

Bruin zandoogje, Maniola jurtina

Dambordje, Melanargia galathe

Koningspage, Iphiclides podalirius

Sint Jans vlinder, Zygaena filipendulae

Kleine IJsvogelvlinder,Limenitis camilla

Kolibrievlinder,Macroglossum stellatarum

In deze periode, als het wat rustiger is met de vogels, verschuift de aandacht naar onder meer de vlinders. Daarom in deze aflevering aandacht voor vlinders die ik op vakantie in de Dordogne heb kunnen fotograferen. Het zijn geen vlinders die exclusief zijn voor die regio, maar ze komen daar wel wat algemener voor.
Het begint met de prachtige koningspage. In ons land niet (meer) te zien. Hij lijkt veel op de koninginnenpage die in het zuiden van ons land nog wel te zien is, maar die heeft niet het oranje randje dwars over de onderkant van de vleugel. Het Dambordje is een vlinder die in ons land niet voorkomt maar in de Dordogne erg algemeen is. Ook de kleine ijsvogelvlinder en de bosparelmoervlinder komen n ons land voor maar in mindere mate en ook vooral in het zuiden en oosten. Het bruin zandoogje is veel algemener en zie je ook hier veel.
De kolibrievlinder en de sint jansvlinder zijn dagactieve nachtvlinders die redelijk algemeen zijn en ook in ons land worden ze gezien, maar daar moet je wel meer moeite voor doen dan in de Dordogne. Tot slot het zwartsprietdikkopje. Een heel klein vlindertje dat dat wijdverbreid is in Europa en ook in ons land.
Kortom geniet van de fotos en wellicht kom je ze tegen op je vakantie.

Iedereen nog bedankt voor de reacties op de vorige blog over de braamsluiper.

maandag 8 mei 2017

VOGELMOMENT BRAAMSLUIPER

Braamsluiper, Sylvia curruca, Lesser Whitethroat
Braamsluiper, Sylvia curruca, Lesser Whitetrhroat


Zwartkop, Sylvia atricapilla, Eurasian Blackcap
zwartere kop en veel grijzere onderzijde
Het lijkt mij leuk om deze keer aandacht te schenken aan de braamsluiper. Een vogel die zeer goed verborgen leeft en die je vaker hoort dan dat je hem ziet. Verwacht dus geen serie prachtige foto’s. Zijn zang is vaak alleen te horen vanaf medio april tot begin mei en als de jongen het nest hebben verlaten hoor je vaak een luid getik , dat klinkt alsof er twee steentjes tegen elkaar worden geslagen. Zo makkelijk te herkennen is dat niet. Daarna is hij vrij stil en erg onopvallend.
Hij is familie van de zwartkop en je kunt hem er ook wel mee verwarren, maar de braamsluiper heeft een veel wittere borst en meer grijsbruine bovenzijde.
De braamsluiper is een trekvogel die overwintert in Oost-Afrika. Hij arriveert vanaf medio april en vertrekt alweer vanaf eind juli, maar kan nog tot in oktober worden gezien. Het is een vrij talrijke broedvogel die wijdverspreid over ons land is met de hoogste dichtheden in de noordelijke provincies, op de Waddeneilanden en in de duingebieden. Ondanks die behoorlijke aantallen, 13.000 tot 15.000 broedparen volgens SOVON, wordt hij toch maar weinig gezien. Hij weet zich dus goed verborgen te houden. Hij is een bewoner van dicht struikgewas met doornstruiken, bramen en meidoorns in het boerengebied en in open bosranden met dichte ondergroei. In bewoond gebied zie je hem wel in parken en grote tuinen mits er voldoende dicht struikgewas is.  Zoals voor veel vogels geldt heeft ook de braamsluiper te leiden van ruilverkaveling en intensivering van de landbouw waardoor broedgebied is verdwenen. Hij heeft wel weer kunnen profiteren van toegenomen groen areaal in het bewoonde gebied.
Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit spinnen en insecten zoals kevers, mieren, rupsen, duizendpoten en vliegen. Dat dieet wordt in de herfst ook wel aangevuld met bessen. Zij bouwen hun nest in dicht struikgewas en er worden 4 tot 6 eieren gelegd die door beide partners in circa 11 dagen worden uitgebroed. De jongen blijven nog 12 dagen in het nest voordat zij uitvliegen en daarna worden zij nog drie weken gevoerd door de ouders. Er is één legsel per jaar.

Kortom een leuke vogel als je hem ziet en veel succes met de waarneming. Ter vergelijking met de zwartkop heb ook van hem nog een foto toegevoegd en dan zie je dat deze een veel grijzere onderzijde heeft.

Iedereen weer bedankt voor de reacties op de vorige blog.

maandag 20 maart 2017

VOGELMOMENT HEGGENMUS

Heggenmus,Prunella modularis, Dunnock
Heggenmus zingen op de top van een duindoorn in het vroege voorjaar


Als een specht tegen de stam op zoek naar insecten

Altijd alert blijven op je omgeveing

Foeragerend op het gras onder de pruimenboom

Zijn favoriete uitkijkpunt

Daarom heet hij heggenmus

In het ondergaande zonnetje

Juveniel

Met een snavel vol eten voor de jongen

Op de voederplank
De heggenmus is een van de meest algemene broedvogels van ons land en met zo’n 250.000 broedparen ( bron: SOVON) ook nog eens talrijk. Hij gaat al broeden in april zodat er grote kans is dat je hem kunt zien in je tuin als hij een nest aan het maken is. Tegelijk is hij onbekend omdat hij zo weinig opvallend is. Bij een snelle observatie lijkt hij wat op de huismus maar als je beter kijkt zie je toch dat hij wat slanker is, een spitsere snavel heeft en een meer grijze kop. Hij heeft echter een meer verborgen leefwijze onder struiken en begroeiing. Je ziet hem vaak als een muis over de grond scharrelen waar hij zijn voedsel zoekt dat bestaat uit allerlei geleedpotigen zoals spinnen, kevers, en rupsen. In de winter wordt het menu aangevuld met zaden en is hij ook op voedertafels te vinden. Over het algemeen leeft hij solitair. De mannetjes en vrouwtjes zijn vrijwel identiek. Hij zingt vaak vanuit een hogere positie en dan is hij mooi te zien.
Je komt hem in het hele land tegen, met uitzondering van de grote agrarische kleigebieden in het noorden van Friesland en Groningen. Hij leeft in kleinschalig landbouwgebied, bossen, parken, tuinen, houtwallen en overige bosrijke gebieden en duinen. Nederlandse broedvogels zijn ook standvogels. Tijdens de trek zijn hier wel vogels uit Scandinavië en Noord Duitsland die doortrekken naar zuidelijke landen in Europa.
Heggenmussen broeden in struiken en heggen, waarbij het nest meestal op een maximale hoogte van ongeveer 1,5 meter wordt gebouwd. Het vrij grote nest van takjes en een kommetje van mos wordt bekleed met haren en ander zacht materiaal. het legsel bestaat meestal uit 3 tot 6 ongevlekte blauwe eitjes die door het vrouwtje worden uitgebroed in circa 12 dagen. De jongen vliegen na 13 dagen uit. In de paartijd kun je, zelfs in je tuin, heggenmussen soms achter elkaar aan zien rennen als een soort paringsritueel. Het vrouwtje paart vaak met meerdere mannetjes, maar het laatste, vaak sterkste mannetje, wint doordat hij eerst tegen de cloaca van het vrouwtje pikt en zo het sperma van zijn voorgangers verwijderd. Daarna paart hij. Zo is er niet alleen sprake van polygamie maar ook van polyandrie doordat de andere mannetjes wel meehelpen met het grootbrengen van de jongen omdat zij in de veronderstelling verkeren dat het hun jongen zijn. Het vrouwtje heeft zich op deze manier verzekerd van voldoende voedselaanbod voor haar jongen. Er is vaak sprake van twee of drie legsels, waarvan het eerste al in april.

Kortom een leuk vogeltje dat je in ieder tuin kunt aantreffen mits die rommelig genoeg is met voldoende begroeiing en beschutting. In tegenstelling tot het feit dat hij erg beschut leeft, zingt hij zeer uitbundig.


Iedereen weer bedankt voor de reacties op mijn vorige blog over de blauwe reiger.

woensdag 22 februari 2017

VOGELMOMENT BLAUWE REIGER

Blauwe  reiger, Ardea cinerea, Grey Heron

Blauwe reiger in een winterse sloot

Foeragerend in een weiland

 Hier zijn goed de ver naar achteren uitstekende poten te zien
en de ingetrokken nek

Winters beeld met de wat grijs/gele snavel

Hier kleurt de snavel al en zie je de kuif 

kleumend tussen het riet

Typisch winterbeeld, ineengedoken en een poot ingetrokken

Juveniel met een net gevangen prooi. Hij is nog egaal grijs
en minder getekend dan de volwassen vogel

Nog een typisch winterbeeld op het ijs.
ineengedoken en een poot ingetrokken

Foeragerend in een plas dras gebied

Vliegbeeld met ver naar achteren uitstekende poten en
een ingetrokken nek.

Deze keer staat de blauwe reiger centraal. Niet alleen omdat het een heel algemene en “gewone” vogel is maar ook omdat voor hem het winterseizoen alweer bijna ten einde is. Hij is een van de vroegste broeders. Blauwe reigers zijn koloniebroeders en je kunt ze nu al bezig zien met het transport van takken om nesten te bouwen die zich hoog in de bomen bevinden. In zo’n broedkolonie is het grappig om te zien hoe zulke grote vogels zich al wiebelend tussen de takken door bewegen. Eigenlijk hebben ze helemaal niet de bouw om op zo’n plek te nestelen maar daar zullen zij zelf dus anders over denken. Het nest wordt gebouwd door het vrouwtje van takken die door het mannetje worden aangevoerd. Zo zijn de taken dus goed verdeeld. Zij hebben één legsel per jaar dat bestaat uit 4 tot 5 eieren die door beide ouders worden uitgebroed in ruin drie weken. Zij worden nog ongeveer 4 weken in het nest warm gehouden voordat zij het verlaten en voorzichtig over de takken gaan kruipen. Het duurt dan nog 3 weken voordat zij kunnen vliegen. Ook als zij pas vliegen keren zij nog gedurende 3 weken terug naar het nest om gevoerd te worden door de ouders.
Zowel in steden als op het platteland is hij een algemene en gewone verschijning. Eigenlijk overal waar water in de buurt is kun je hem wel aantreffen. Zelfs in je achtertuin als je daar een vijver hebt aangelegd. Hij weet er dan vaak feilloos de vissen te vinden.
Zij hebben wel te lijden onder strenge winters omdat zij dan weinig of geen vis kunnen vangen en ook de kleine zoogdieren zoals muizen en mollen heel moeilijk of niet te pakken zijn. Door aanhoudende strenge winters in de vorige eeuw was het aantal broedparen teruggelopen tot circa 3500. Na de strenge winter van 62/63 zijn de aantallen weer toegenomen en als gevolg van de zachtere winters is het aantal inmiddels alweer ruim verdubbeld.
Tegenwoordig zijn blauwe reigers in ons land standvogel, alhoewel sommigen wel weg kunnen trekken. Vroeger waren zij alleen broedvogel die elders overwinterden. Dat was echter in de tijd dat er hier nog jaarlijks heel strenge winters waren.
Tegenwoordig zie je in het buitengebied altijd wel blauwe reigers die doodstil aan de slootkant staan om ieder visje feilloos te vangen. Maar ook mollen, kevers, muizen en kleine konijnen worden gevangen in de weilanden. Vaak zijn ze alleen tenzij er bijvoorbeeld sloten zijn uitgebaggerd want dan is er  veel voedsel voorhanden en kun je hele groepen tegelijk zien.
Het zijn schuwe en stille vogels die zich niet gemakkelijk laten benaderen. Het enige geluid dat je van ze hoort is een wat schorre schreeuw die zij laten horen als zij vliegen. In de vlucht zijn ze goed herkenbaar aan de ver naar achteren uitstekende poten, de ingetrokken nek en een trage vleugelslag. In de broedkolonie zijn ze overigens wel een stuk luidruchtiger.
Sinds de terugloop van de aantallen halverwege vorige eeuw zijn ze beschermd en mag er dus niet meer op gejaagd worden.
In deze tijd van het jaar ontstaat het broedkleed. Ze krijgen een mooiere kuif en de snavel verkleurt wat van grijs/geel naar meer oranje. Kortom genoeg reden om eens wat nauwkeuriger naar onze blauwe reiger te kijken.

iedereen weer bedankt voor de reacties op de vorige blog. Reacties en vragen zijn altijd welkom.


zaterdag 14 januari 2017

VOGELMOMENT WINTEREENDEN

Smient, Anas Penelope, Eurasian Wigeon, mannetje

Smient, vrouwtje

Paartje smienten
Brilduiker, Bucephala clangula, Common Goldeneye, mannetje


Brilduiker, vrouwtje

Paartje brilduiker, baltsend

Middelste zaagbek, Mergus serrator, Red-Breasted Merganser,
 mannetje
Middelste zaagbek, mannetje poetst zijn veren

Middelste zaagbek, vrouwtje

Paartje middelste zaagbek

Grote zaagbek, Mergus merganser, Goosander, mannetje

Grote zaagbek, vrouwtje

Grote zaagbek, vrouwtje

Grote zaagbek, mannetje
Het leek mij leuk om eens een blog te wijden aan wintereenden. Als je echter heel precies kijkt dan zijn die er eigenlijk niet omdat vrijwel alle soorten, op een paar zeldzame soorten na, hier het hele jaar door wel te zien zijn. Voor deze blog versta ik dan onder de term  “wintereenden”  de soorten die je hier uitsluitend of vrijwel uitsluitend kunt zien in de winter en dan ook iedere winter en in grote(re) aantallen. Het gaat dan om de smient, brilduiker, middelste zaagbek en de grote zaagbek. In dit rijtje horen ook nog het nonnetje en de topper maar die zijn niet opgenomen omdat ik daar simpelweg nog geen fotos van heb en kunnen maken en het kunnen publiceren van eigen foto’s vind ik wel een voorwaarde voor mijn blog.
Het komt omdat het aantal nonnetjes niet zo groot is en je ze vaker op telescoopafstand dan op camera-afstand ziet. Dit geldt ook voor de topper. Hij is ook vaak te zien op het IJsselmeer maar wel wat verder uit de kust. Hij zit vaak ook tussen grotere groepen kuifeenden en is dan niet gemakkelijk te fotograferen.
De kans om in de winter dus een smient, brilduiker, grote zaagbek of middelste zaagbek te zien is dus veel groter.
De Smient wordt ook wel de” fluiteend” wordt genoemd, vanwege de kenmerkende luide fluittoon van het mannetje. In de winter verblijven hier zo’n 800.000 exemplaren, waardoor hij, na de wilde eend, de meest talrijke eend in ons land is. Bijna de helft van alle Smienten in Noord West Europa overwintert in ons land en dan vooral in de weidegebieden van Friesland, Noord- en Zuid Holland, maar ook in de randmeren en langs de grote rivieren. Zij arriveren vanaf oktober en in april zijn ze weer vertrokken. In de polders zie je ze vaak in wat kleinere groepen maar op plassen en meren zie je vaak enorme aantallen en dan hoor je ook meteen waarom ze fluiteenden worden genoemd.
Het zijn grondeleenden die vooral zeegras, zeekraal en ander plantaardig materiaal eten. Aangezien dat voedsel niet meer ruim voorhanden is, grazen ze veel vaker op weilanden waar ze gras eten. De paarvorming vindt in de winter plaats zodat zij als pas gevormd paartje de terugreis aanvaarden naar hun broedgebieden in Scandinavië en Siberië. De balts kun je dus goed waarnemen in onze polders, meestal vanaf januari.
De brilduiker zie je vooral in het deltagebied, IJsselmeer en Markermeer, daarbuiten komt hij schaars voor. De aantallen worden geschat op circa 30.000 exemplaren en dus ruim minder talrijk dan de smient. Goed herkenbaar aan de wat grote groene kop met de karakteristieke witte vlek ( mannetje). Ook bij de brilduikers vindt de paarvorming al in het winterseizoen plaats zodat baltsende paartjes bij ons gezien kunnen worden. Vanaf februari trekken zij weer weg naar hun broedgebieden in het noorden van Europa en Rusland.
De middelste zaagbek overwintert met circa 15.000 exemplaren in ons land en in strenge winters kan dat aantal groter zijn. Zij arriveren eind oktober en vertrekken weer vanaf begin maart naar hun broedgebieden. Zij verblijven veelal op zee of in havens en soms op brak water maar zelden of nooit in het binnenland. De meeste kans om ze te zien is in de Delta of in het westelijk waddengebied.
De middelste zaagbek wordt soms wel verward met de grote zaagbek en dan vooral het vrouwtje want die lijken het meest op elkaar. Een hulpmiddel bij de herkenning is het leefgebied. De grote zaagbek is vrijwel uitsluitend te zien op zoet water in het binnenland. De meesten op het IJsselmeer maar ook in de duinen, binnenmeren en langs de grote rivieren en daar zie je de middelste zaagbek vrijwel nooit.
De grote zaagbek arriveert in november en december uit de broedgebieden in Scandinavië en Rusland. Ongeveer een kwart van de Noordwest Europese winterpopulatie overwintert in ons land. Ruim 60% daarvan verblijft op het IJsselmeer en ook nog eens ver uit de oevers waardoor ze moeilijk te tellen zijn. Schattingen van SOVON lopen dan ook van circa 6000 tot 36000 exemplaren. De strengheid van de winter speelt hierin ook een rol. In heel strenge winters trekken er meer door naar het zuiden van Europa. Ook in de Delta, het rivierengebied, de waterleidingduinen en de natte veenweidegebieden kun je ze zien maar de aantallen zijn dan aanzienlijk minder. Het zijn vooral zoetwatervogels die pas bij heel strenge vorst het zoute water opzoeken. In maart vertrekken zij weer naar het hoge noorden om te broeden. 

Reactie, vragen of opmerkingen zijn welkom op mijn mailadres petervandebeek@hotmail.com